Recht tussen norm en belang

28.50

Relativiteit in privaat- en bestuursrecht

SKU: 978-90-8863-093-4 Categorieën: ,

Beschrijving

De privaatrechtelijke relativiteitseis is sinds arresten als De Marchant et d’Ansembourg (1928), Intercueros (1929) en Brandstichting (1930) geldend recht, maar van een rustig bezit is nooit sprake geweest. In het interbellum leidde de door de Hoge Raad geconstrueerde relativiteitsleer tot felle discussies, die pas enigszins tot bedaren kwamen na Tandartsen I (1958). Naar aanleiding van geruchtmakende arresten als Duwbak Linda (2004), Vie d’Or (2006), Astrazeneca/Menzis (2006), Staat/Yazdanlatif (2007) en Hangmat (2010) staat de privaatrechtelijke relativiteitsleer opnieuw sterk in de rechtsgeleerde belangstelling.
Deze hernieuwde interesse loopt opvallend genoeg ongeveer parallel aan een verwoed debat onder bestuursrechtjuristen over de vraag of een relativiteitseis ook in het bestuursrecht wenselijk is. Inmiddels is het relativiteitsvereiste voor een deel van het omgevingsrecht ingevoerd als artikel 1.9 van de Crisis- en herstelwet; een soortgelijke eis maakt bovendien deel uit van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht, die naar verwachting spoedig van kracht zal zijn.
Tot nog toe zijn er weinig studies die het privaatrechtelijke en bestuursrechtelijke relativiteitsvereiste in elkaars verband bezien. Daarnaast roept de relativering van rechtsnormen tal van theoretische vragen op, die in de rechtsgeleerde literatuur tot nog toe sterk onderbelicht zijn gebleven. Dit boek, dan van belang is voor rechtstheoretici én praktijkjuristen, beoogt aan beide tekortkomingen tegemoet te komen.

Extra informatie

Auteur

ISBN

Aantal pagina's

Datum van uitgave

2012