De reikwijdte en de toepassing van het nemo-teneturbeginsel

24.50

De uitleg van de Hoge Raad en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van het recht tegen gedwongen zelfincriminatie

SKU: 978-90-8863-111-5 Categorie:

Beschrijving

‘Nemo tenetur prodere se ipsum’: niemand hoeft in een strafrechtelijke procedure verplicht mee te werken aan het leveren van bewijs tegen zichzelf of mag worden gedwongen zichzelf te belasten. Het nemo-teneturbeginsel, terug te vinden in het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) en erkend door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), is in de Nederlandse wetgeving niet expliciet gecodificeerd.
In dit boek beantwoordt mr. Loes Wilbrink (De Brauw Blackstone Westbroek) de vraag in hoeverre een verdachte een beroep kan doen op het nemo-teneturbeginsel in de aanloop naar en tijdens het strafproces. Het belang van deze vraag blijkt wel uit bepalingen uit de Wegenverkeerswet en de Wet Economische Delicten, waarin verdachten kunnen worden verplicht om medewerking te verlenen aan opsporingsambtenaren. Inmiddels heeft de Hoge Raad (in 2010) een uitleg aan het nemo-teneturbeginsel gegeven, die door met name de advocatuur als ‘te beperkt’ wordt beschouwd.
De auteur gaat in dit boek na of die uitleg van de Hoge Raad – waarin het nemo-teneturbeginsel nagenoeg wordt verengd tot het zwijgrecht – correct is. Kern van deze studie is de exacte betekenis van het ‘privilege against self-incrimination’ onder het recht op een eerlijk proces van art. 6 (1) EVRM.

Extra informatie

Auteur

ISBN

Aantal pagina's

Datum van uitgave

2013